Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
Find NVKC on YouTubeFind NVKC on FacebookFind NVKC on Twitter

Zoek een test

Bloedgroeptypering

Terug Terug naar het overzicht

Ook wel bekend als:
AB0-rhesus typering, type-and-screen, bloedgroep
Officiële naam:
bloedgroeptypering
Verwante testen:
irregulaire antistoffen

In vogelvlucht

Waarom deze test?

Om de bloedgroep (0, A, B of AB) en de rhesusfactor vast te stellen.

Welk materiaal?

Bloed

Monster

Wat wordt getest?

Met behulp van de AB0-rhesus bloedgroeptypering wordt vastgesteld of iemand bloedgroep A, B, AB of 0 (nul) heeft. Daarnaast wordt de aan- of afwezigheid van de rhesusfactor vastgesteld.

Het type bloedgroep dat iemand heeft wordt bepaald door specifieke eiwitten ('antigenen') die aanwezig zijn op de rode bloedcellen. Het belangrijkste zijn de A en B antigenen. Personen kunnen antigeen A (bloedgroep A), antigeen B (bloedgroep B), antigeen A en B (bloedgroep AB) of geen antigeen A en B (bloedgroep 0) op hun rode bloedcellen hebben.

Het lichaam maakt van nature antistoffen aan tegen het antigeen dat niet aanwezig is op de eigen rode bloedcellen. Hiervoor is geen contact nodig met het lichaamsvreemde antigeen. Iemand met bloedgroep A heeft dus van nature antistoffen tegen bloedgroep B en omgekeerd. Iemand met bloedgroep 0 heeft antistoffen tegen bloedgroep A en bloedgroep B, iemand met bloedgroep AB heeft geen antistoffen tegen A of B.

Het toedienen van bloed met een bloedgroep dat niet overeenstemt met die van de ontvanger, kan een heftige afweerreactie opwekken met mogelijk de dood tot gevolg.

Antistoffen tegen de rhesusfactor komen niet van nature voor. Iemand zonder rhesusfactor (rhesusfactor-negatief) moet dus eerst in contact komen met rhesus-positief bloed voordat rhesus-antistoffen worden aangemaakt. Dat contact kan bijvoorbeeld een bloedtransfusie zijn of een zwangerschap van een rhesus-positief kind. Ook rhesus-antistoffen kunnen een zeer heftige afweerreactie veroorzaken. Indien een vrouw antistoffen tegen de rhesusfactor heeft en zwanger is van een rhesusfactor positief kind, dan kan dit zeer ernstige gevolgen hebben voor het kind.

Aangezien het vaststellen van iemands bloedgroep absoluut zeker moet zijn, wordt de bloedgroep (AB0 en rhesusfactor) altijd tweemaal bepaald in onafhankelijk afgenomen bloedmonsters. Mocht dit niet mogelijk zijn (bijvoorbeeld door een plotselinge zeer heftige bloeding) dan krijgt een persoon altijd het meest veilige bloed toegediend: namelijk met bloedgroep 0 en rhesusfactor negatief.

Hoe wordt het materiaal verkregen?

Een buisje bloed wordt afgenomen uit een ader aan de binnenkant van de arm, meestal in de plooi van de elleboog. Om deze ader goed te kunnen zien en voelen wordt een stuwbandje strak om de bovenarm getrokken. In de ader wordt geprikt met een holle naald waardoor het bloed in het buisje wordt gezogen. De naald wordt maar één keer gebruikt en daarna vernietigd.

De test

Wanneer wordt deze test gedaan?

In donorbloed worden altijd de AB0-bloedgroep en de rhesusfactor vastgesteld.

Ook wordt de bloedgroep bepaald bij patiënten die een bloedtransfusie moeten ondergaan. Dat is bijvoorbeeld het geval als iemand een zware (bloederige) operatie moet ondergaan, ernstige bloedarmoede heeft, behandeld wordt met chemotherapie of na heftige bloedingen (bijvoorbeeld na een ongeluk).

Daarnaast wordt bij alle zwangere vrouwen de bloedgroep (AB0-bloedgroep) en rhesusfactor vastgesteld. Dit wordt gedaan in verband met de ernstige gevolgen die bijvoorbeeld rhesus-antistoffen (die aanwezig kunnen zijn bij rhesus-negatieve zwangeren) op het ongeboren kind kunnen hebben. Om te voorkomen dat rhesus-antistoffen worden gevormd bij een rhesus-negatieve moeder, krijgen deze moeders in de 30e week van de zwangerschap en na de bevalling rhesus-antiserum (Anti-D) toegediend. Dit antiserum zorgt ervoor dat het lichaam niet zelf rhesus-antistoffen gaat maken en voorkomt daarmee problemen bij een volgende zwangerschap.

Wat betekent de uitslag?

De uitslag van de bloedgroeptypering geeft aan of men bloedgroep A, B, AB of 0 heeft. Daarnaast wordt vastgesteld of men de rhesusfactor al dan niet bezit (rhesus-positief dan wel rhesus-negatief is).

Voor een zwangere vrouw is het met name van belang om te weten of zij rhesus-positief of rhesus-negatief is. In het laatste geval wordt aanvullend onderzoek tijdens de zwangerschap uitgevoerd en komt zij in aanmerking voor het ontvangen van rhesus-antiserum.

Nog vragen?

De informatie over deze test komt van deskundigen uit het ziekenhuislaboratorium. Daar worden dagelijks vele honderden testen uitgevoerd. Laboratoriumspecialisten zorgen er voor dat dit op een veilige en juiste manier gebeurt. Zij adviseren de dokter bij afwijkende uitslagen en ingewikkelde problemen.

Heeft u naar aanleiding van deze informatie nog een vraag? Stel deze aan een klinisch chemicus.

© 2018 Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde, laatst bijgewerkt 17-10-2010

Terug Terug naar het overzicht