Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
Find NVKC on YouTubeFind NVKC on FacebookFind NVKC on Twitter

Zoek een test

Proteïne C

Terug Terug naar het overzicht

Ook wel bekend als:
proteïne C activiteit, proteïne C antigeen
Officiële naam:
proteïne C
Verwante testen:
proteïne S, factor V Leiden, protrombinemutatie, lupus anticoagulans, antitrombine

In vogelvlucht

Waarom deze test?

Om te onderzoeken of een tekort, of niet goed werkend, proteïne C de oorzaak is van overmatige bloedstolling (trombose).

Welk materiaal?

Bloed

Monster

Wat wordt getest?

De test meet de hoeveelheid proteïne C in bloed. Proteïne C wordt in de lever geproduceerd en werkt samen met proteïne S om overmatige bloedstolling te voorkomen. Te weinig, of niet goed werkend, proteïne C (en proteïne S) kan ondermeer veroorzaakt worden door een erfelijke fout in het DNA.

Wanneer een bloedvat of weefsel is beschadigd, zal door het lichaam een bloedstolsel worden gemaakt. De bloedstolling is een reeks reacties waarbij stapsgewijs eiwitten (stollingsfactoren) worden geactiveerd, wat uiteindelijk resulteert in de vorming van een stabiel bloedstolsel. Dit bloedstolsel voorkomt verder bloedverlies en beschermt de wond tot deze genezen is. Wanneer het bloedstolsel niet langer nodig is, wordt het weer afgebroken door andere eiwitten.

Proteïne C is, samen met proteïne S, betrokken bij het proces dat de bloedstolling weer stopt als de wond gedicht is. Wanneer er sprake is van onvoldoende, of niet goed werkend, proteïne C dan loopt de bloedstolling uit de hand en zet het stollingsproces zich ongeremd voort. Hierbij kunnen schadelijke en ongewenste bloedstolsels ontstaan in de bloedcirculatie (trombose, longembolie).

Hoe wordt het materiaal verkregen?

Een buisje bloed wordt afgenomen uit een ader aan de binnenkant van de arm, meestal in de plooi van de elleboog. Om deze ader goed te kunnen zien en voelen wordt een stuwbandje strak om de bovenarm getrokken. In de ader wordt geprikt met een holle naald waardoor het bloed in het buisje wordt gezogen. De naald wordt maar één keer gebruikt en daarna vernietigd.

De test

Wanneer wordt deze test gedaan?

De arts vraagt proteïne C aan bij patiënten met een trombose of een longembolie, vaak in combinatie met proteïne S, factor V Leiden mutatie, protrombine mutatie, lupus anticoagulans en antitrombine. Zeker als het gaat om relatief jonge mensen (<40 jaar oud), bij herhaaldelijk optreden van een trombose en/of wanneer er geen duidelijke oorzaak is voor de trombose. Omdat een probleem met proteïne C van tijdelijke aard kan zijn, is het zinvol de meting te herhalen als een eerste test wijst op een tekort of op slecht werkend proteïne C.

Als er een trombose is opgetreden dan zal de patiënt in eerste instantie een antistollingsmiddel ('bloedverdunner') gebruiken (3 tot 6 maanden). In deze tijd kan de arts een deel van de oorzaken van een verhoogde tromboseneiging onderzoeken (onder andere mogelijke leverziekten, de aanwezigheid van tumoren en de Factor V Leiden en de protrombine mutaties). De test op proteine C kan pas worden uitgevoerd wanneer de patiënt geen bloedverdunners meer gebruikt.

Het wordt niet aangeraden om op gezonde mensen te onderzoeken op een tekort aan proteïne C, behalve voor familieleden van patiënten bij wie een erfelijke tekort aan proteïne C is vastgesteld. Bij een erfelijk gebrek aan proteïne C houdt de arts rekening met deze erfelijke ziekte op momenten dat de patiënt een verhoogd risico loopt op het ontstaan van tromboses, bijvoorbeeld bij zwangerschap of als de patiënt een operatie moet ondergaan.

Wat betekent de uitslag?

Normaal:

Wanneer zowel de activiteit als de hoeveelheid proteïne C of S normaal is. Als normaalwaarde voor de activiteit wordt vaak 70 - 130 % gehanteerd.

Verhoogd:

Verhoogde hoeveelheden van proteïne C veroorzaken normaal gesproken geen ziekte.

Verlaagd:

Lage hoeveelheden proteïne C kunnen leiden tot een overmatige vorming van bloedstolsels. Ook als er voldoende proteïne C aanwezig is, maar met onvoldoende activiteit, dan kan dit aanleiding geven tot een overmatige bloedstolling. Verlaagde concentraties worden, gevonden bij:

  • een erfelijke oorzaak, tevens gevonden
  • bij leverziekten
  • een tekort aan vitamine K
  • gebruik van antistollingsmiddelen
  • diffuse intravasale stolling (DIS)
  • ernstige infecties
  • nierziekte,
  • kanker
  • HIV
  • tijdens de zwangerschap
  • direct na het plaatsvinden van trombose of een longembolie.

Nog vragen?

De informatie over deze test komt van deskundigen uit het ziekenhuislaboratorium. Daar worden dagelijks vele honderden testen uitgevoerd. Laboratoriumspecialisten zorgen er voor dat dit op een veilige en juiste manier gebeurt. Zij adviseren de dokter bij afwijkende uitslagen en ingewikkelde problemen.

Heeft u naar aanleiding van deze informatie nog een vraag? Stel deze aan een klinisch chemicus.

© 2018 Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde, laatst bijgewerkt 17-10-2010

Terug Terug naar het overzicht