Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
Find NVKC on YouTubeFind NVKC on FacebookFind NVKC on Twitter

Zoek een test

ANA

Terug Terug naar het overzicht

Ook wel bekend als:
antinucleaire factor, ANF
Officiële naam:
antinucleaire antistoffen
Verwante testen:
autoantilichamen, ENA, anti-ds DNA, circulerende immuuncomplexen

In vogelvlucht

Waarom deze test?

Om te onderzoeken of het afweersysteem antinucleaire antistoffen (ANA) aanmaakt. Deze zogeheten autoantistoffen zijn gericht tegen onderdelen van de celkern (nucleus) in de lichaamscellen en kunnen leiden tot het ontstaan van autoimmuunziekten.

Welk materiaal?

Bloed

Monster

Wat wordt getest?

De test bepaalt de aanwezigheid van antinucleaire antistoffen (ANA). Ook wordt onderzocht of er veel autoantistoffen zijn en of het sterke of zwakke autoantistoffen zijn.

Gewoonlijk maakt het afweersysteem antistoffen (ook wel immuunglobulinen genoemd) tegen binnendringende bacteriën en virussen. Bij sommige mensen gaat er iets niet goed in het afweersysteem. Bij hen worden antistoffen gemaakt tegen sommige van hun eigen eiwitten of cellen. Deze antistoffen heten autoantistoffen omdat ze gericht zijn tegen het eigen lichaam. Auto betekent 'zelf'. Het afweersysteem beschadigt dan de eigen cellen, hele weefsels of zelfs hele organen doordat de autoantistoffen ontstekingen veroorzaken. We spreken dan ook van een autoimmuunziekte. Voorbeelden zijn reuma, systemische lupus erythematodus (SLE), het syndroom van Sjörgen of myositis.

Hoe wordt het materiaal verkregen?

Een buisje bloed wordt afgenomen uit een ader aan de binnenkant van de arm, meestal in de plooi van de elleboog. Om deze ader goed te kunnen zien en voelen wordt een stuwbandje strak om de bovenarm getrokken. In de ader wordt geprikt met een holle naald waardoor het bloed in het buisje wordt gezogen. De naald wordt maar één keer gebruikt en daarna vernietigd.

De test

Wanneer wordt deze test gedaan?

Autoimmuunziekten leiden tot ontstekingen (van bijvoorbeeld gewrichten en nieren) en kunnen koorts, huidafwijkingen, longklachten en zenuwafwijkingen veroorzaken. Wanneer de dokter op basis van dit soort klachten vermoedt dat er sprake kan zijn van een autoimmuunziekte kan hij/zij de aanwezigheid van autoantistoffen in het bloed laten bepalen.

Het aantonen van autoantistoffen in het bloed betekent niet automatisch dat iemand leidt aan een autoimmuunziekte. Er kunnen namelijk ook autoantistoffen bij iemand aanwezig zijn zonder dat er duidelijk sprake is van een herkenbare autoimmuunziekte.

Belangrijk is dat de ANA-test alleen betekenis heeft wanneer er ook klachten zijn. Bij sommige autoimmuunziekten zijn specifieke autoantistoffen heel kenmerkend en helpt het aantonen hiervan bij het stellen van de juiste diagnose. Sommige patiënten hebben een aantal verschillende autoantistoffen. De combinatie van die typen autoantistoffen kan kenmerkend zijn voor een bepaalde autoimmuunziekte.

Wat betekent de uitslag?

Negatief:

Er zijn geen autoantistoffen aangetoond en de kans dat de klachten veroorzaakt worden door een autoimmuunziekte is klein.

Dubieus:

De uitslag is niet negatief, maar toch zo laag dat er twijfel is of dit als afwijkend moet worden beschouwd. Dit wordt ook het het grijze gebied genoemd.

Licht verhoogd:

Afhankelijk van het type van de gevonden autoantistoffen en de klachten van de patient kan een lichte verhoging wijzen op een autoimmuunziekte.

Sterk verhoogd:

Bij een sterke verhoging neemt, afhankelijk van het type antistof en de klachten van de patient, de verdenking van een autoimmuunziekte toe. Een verhoogd resultaat wordt vaak (standaard) gevolgd door een anti-dsDNA test en een ENA test.

Nog vragen?

De informatie over deze test komt van deskundigen uit het ziekenhuislaboratorium. Daar worden dagelijks vele honderden testen uitgevoerd. Laboratoriumspecialisten zorgen er voor dat dit op een veilige en juiste manier gebeurt. Zij adviseren de dokter bij afwijkende uitslagen en ingewikkelde problemen.

Heeft u naar aanleiding van deze informatie nog een vraag? Stel deze aan een klinisch chemicus.

© 2018 Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde, laatst bijgewerkt 17-05-2011

Terug Terug naar het overzicht